laatste wijziging: 12-06-2019

Meditatie IV – Over het (on)ware

Vierde meditatie

Descartes gaat er nu van uit dat God bestaat en dat hij geen bedrieger is. Hij stelt zichzelf tevens de vraag hoe het kan dat een perfecte God een wezen schept dat fouten kan maken. Descartes schrijft dat hij, als Gods creatie, een intellect heeft dat, mits op correcte wijze gebruikt, betrouwbaar is.

Descartes verklaart het feit dat we fouten maken onder andere door te stellen dat God ons met een eindig intellect, maar een oneindige wil heeft geschapen. Hierdoor maken we fouten in onze redenaties. Het maken van fouten vergelijkt Descartes met het begaan van zonden. Fouten en zonden worden veroorzaakt doordat de mens zijn vrije wil misbruikt.

In de vierde meditatie doet zich een hardnekkig filosofisch probleem voor. Als Descartes eerst het bestaan van God moet bewijzen om vast te stellen dat zijn intellect betrouwbaar is, hoe kan hij dan in eerste instantie vaststellen dat God bestaat? Hij heeft zijn verstand nodig om het bestaan van God te bewijzen en tevens moet hij het bestaan van God bewijzen om op zijn verstand te kunnen vertrouwen. Dit probleem staat bekend als de ‘Cartesiaanse Cirkel‘.