laatste wijziging: 04-04-2020

5 Waardendestructie

103 – HOOFDSTUK 5.   Waarden-destructie



Iets soortgelijks voltrekt zich met andere fundamentele waarden uit de westerse traditie. De populistische aanval op Europese waarden oogt wellicht minder extreem wat betreft het expliciet uitgedragen gedachtegoed en minder radicaal en agressief in het politiek activisme. De waarden waardoor het populisme zichzelf laat leiden zijn echter vaag en komen nauwelijks los van gevoelens en wensdenken. Veel daarvan concentreert zich op iets als authentieke identiteit — als volk of natie — en op zekerheid, bescherming en geborgenheid.

5.1 Mondigheid

Door mondigheid heeft de mens een gordijn van onwetendheid en bijgeloof, taboes, vooroordelen en angsten weggeschoven, heeft hij de feitelijke wereld opengelegd en hebben wetenschappen zich kunnen ontwikkelen. Dit heeft onmiskenbaar een bevrijdende werking gehad. Bevrijding door mondigheid kan echter ook een inherent daarmee samenhangende keerzijde openleggen: het doorslaan daarvan, het radicaliseren, het overschrijden van grenzen.

Daarvoor zijn tegenkrachten nodig; het veroveren van democratische ruimte zonder inperking door matiging, zelfbeheersing en evenwicht, ontaardt gemakkelijk in excessen, in het ergste geval in burgeroorlog. Schaamte is zo’n tegenkracht. Dit moet aanzetten tot zelfreflectie, beheersing en matiging. Een andere is zelfkennis, zelfinzicht, om het openstaan voor de feitelijke aard van de eigen menselijke natuur. Gedoeld wordt op driften, verlangens. behoeften en ook hartstochten zoals woede, haar, ressentiment of wraakzucht. Het onderkennen van deze impulsen brengt de mens tot matiging, tot zelfbeheersing, tot evenwicht in het omgaan met zichzelf en met medemensen: democratische mondigheid, het articuleren van eigen belangen en opvattingen, moet gekoppeld worden aan al even menselijke tegenkrachten.

Hoe om te gaan met mondigheid als uitingen zich te buiten gaan aan bananaliteiten, haat, belastering of bedreiging? Wat te doen met leugens, bedrog, propaganda, of de verdenking dat achter elke uiting van een ander valse intenties of complotten schuilgaan? De wettelijk inperking van het taalgebruik is flinterdun: vrijheid van meningsuiting is intussen gemeengoed geworden. Het populisme speelt vrijmoedig in op deze vrijheidsruimte: het eist het eigen recht tot meningsuiting op. Met verheven stem, luidkeels en ongeremd.

De populistische leider richt zich in zijn mondigheid tot het volk en in en tegen door hem aangewezen vijanden van het volk. In tweeledige zin frustreert dit een open communicatief speelveld. Enerzijds door tegenstrevers hun waardigheid te ontnemen, hen in morele zin de mond te snoeren en een eigen mondigheid te ontnemen. Er is geen dialoog, geen openheid: de ander heeft maar te luisteren naar de populist; de populist luistert zelf echter niet, hij roert slechts zijn mond. zendt slechts, zonder te willen en zelfs te kunnen luisteren. Anderzijds dwingt de populist ook zijn volk naar hem te luisteren, snoert zijn volk de mond. Het volk mag zijn ongeremde mondigheid etaleren tegen vijanden van het volk, op zijn beurt dient het in overgave naar zijn populistische leider luisteren. Een leiderscultus waarin het volk geleerd wordt aan te horen. Zonder de matigende werking van normen en instituties, zonder corrigerende zelfkennis, zonder schaamte. De dialoog wordt geëlimineerd, het debat bedorven. Het in initiële zin mondige volk draagt zijn bevrijde ruimte over aan een populistische ‘ik’. Dit verlost de leider van de democratische deugd te luisteren naar de bevolking; de mondigheid van de populistische leider verliest zich in schaamteloosheid.

Volgens de auteur lijden veel populistische leiders aan een ziekelijk narcisme. (Trump) De narcist herkent wat hij geobsedeerd wil herkennen. De obsessie sluit hem of voor de meest eigen en vooral ook zwakke kanten in zichzelf, durft zichzelf niet onder ogen te komen, het ontbreekt hem aan vermogen tot reflectie, zelfinzicht, moed. Dus rest de vlucht voor zichzelf en zoekt hij niet alleen verdringing, maar meer nog maskering van de leugen als leugen. Om het geloof in het zelfbeeld te bekrachtigen moeten anderen hem hierin bijstaan: hier houdt de altijd maar zendende narcist dan even in, hier luistert hij even naar anderen, naar hun bevestiging van zijn zelfbeeld. Hierin roert zich een fatale akte, eigenlijk een wils-zwakte. Een geëigende reactie van wils-zwakken op de eigen zwakte is een gedreven zucht naar compensatie van zwakte door macht. Zo’n wils-zwakke verliest zich in machtsuitingen die hem het gevoel van onkwetsbaarheid geven. Vandaar dat ziekelijke narcisten zich obsessief keren tegen alles wat hun grootheidswaan in weg staat. Vandaar de leiderscultus. overal aanwezige beelden, juichende menigten; verliefdheid op het eigen, leugenachtige beeld vertaalt zich in een paranoïde vrees voor alles wat deze leugen kan ontmaskeren.

Het gevaar van een ontheemde narcist is de overdracht hiervan op een bevolking die zich ook al ontworteld en ontheemd voelt, een bevolking die ook zelf verlangt naar een bevrijdend zelfbeeld. Onder het nieuwe type Narcissus dreigt het volk te worden omgevormd tot een echo. Een verleide, een misleide stem, een stem die weerlegt wat de Verlichting ooit van mondigheid verwachtte.

5.2 Vrijheid

De rechtsstatelijke en democratische openheid en dynamiek moeten door de samenleving worden erkend als fundamentele waarde. Dit veronderstelt weer een breed gedeelde bereidheid in gezamenlijke interactie tot afstemming, compromissen en eenheid te komen. Dit maakt democratie per definitie een gecompliceerd en open samenspel. Het compromis eist van eenieder zich openlijk te uiten, naar elkaar te luisteren, elkaars inbreng te respecteren, deze oprecht te interpreteren, hierover debat te voeren en hiertoe de kracht van argument in te zetten. De morele en communicatieve kern van het spreken, luisteren en verstaan geeft het democratisch debat een verzoenende werking.

Vrijheid van meningsuiting geldt binnen de democratische rechtsstaat een fundamenteel vrijheidsrecht. Dit recht kent beperkingen en kent een tweeledige interpretatie, een negatieve en een positieve.

In het verlengde tart het recht op provocerende uitingen de genoemde tolerantie: het vrijheidsrecht borgt dat opvattingen van anderen mogen worden getart en zelfs belachelijk worden gemaakt. Hier dringt zich iets inconsequents of paradoxaals op: dat de eigen uiting door tolerantie wordt ingegeven, maar van de ander juist wel tolerantie wordt geëist. radicaal positief geïnterpreteerd recht op meningsuiting krijgt iets tegenstrijdigs: het verliest zijn betrekkelijkheid, zijn wederkerigheid. De op een eigen, ongelimiteerd recht veronderstelt de ongelimiteerde tolerantie van de ander.

In de hedendaagse democratie wordt de vrije meningsuiting vaak als eest fundamentele recht gezien. Het limiteren van dit recht geldt als min of meer verdacht. Juist populisten hameren op de volle, positieve ruimte van dit recht. De populistische interpretatie van dit recht beroept zich extreem eenzijdig op de beschermwaardigheid van eigen meningen, maar gebruikt dit recht tegelijk om een vergaande intolerantie jegens anderen te uiten. Dit ondermijnt de wederkerigheid van dit grondrecht. Waar populisten zich de meningsvrijheid als recht exclusief toe eigenen, verstomt het debat en daarmee de democratische invulling van de meningsvrijheid als expressie van de pluriforme samenleving. Zo dreigt dit een einde te maken aan de de pluriforme samenleving en daarmee ook aan de openheid en onbepaaldheid van de staatsmacht.

Lefort verbindt het debat intrinsiek met de parlementaire democratie. Het debat hoort bij het vertegenwoordigend stelsel en dus ook bij de pluriforme samenleving. De verscheidenheid en verdeeldheid van de samenleving vereist nu eenmaal dialoog om verschillen te overbruggen en op staatkundig niveau tot evenwichtige besluitvorming te komen. De democratische rechtstaat heeft de staatsmacht omgevormd tot wat Lefort een “lege plaats” noemt, een die niemand tot zijn exclusief bezit kan rekenen. Hij noemt zo’n open samenstel van wetgeving, wetenschap en kennis in algemene zin onbepaald. Deze domeinen liggen open voor verandering in zienswijzen en dus aanpassingen. Aan deze openheid ligt een pluriforme samenleving ten grondslag, tevens de basis voor democratie.

Vrijheden als de vrije meningsuiting, de open en productieve botsing van meningen vormen het fundament van het democratisch debat maar staan haaks op de tirannie van de alleenheerser die meent de lege plaats van de macht te moeten opeisen. Wezenlijk onderdeel van de democratische vrijheidsruimte en dus de onbepaaldheid van het debat is volgens Lefort de vrijheid om verbindingen met anderen aan te gaan, anderen waarmee men zich op onderdelen kan verenigen maar voor het overige van mening verschilt.

Waar de vrije en pluriforme samenleving zich kenmerkt door een veelheid aan verbanden en dynamiek daarbinnen, maakt het totalitarisme een einde aan deze vrijheden en dynamiek en dus ook aan een open en onbepaald democratisch debat: het totalitarisme bezet de lege plaats van de macht, als exclusief bezit van partij en partijleiding. Tegelijk zijn daarmee ook de wet en het weten door deze macht geïncorporeerd: decreten bepalen de orde van de samenleving en het leven van de bevolking.

Lefort is van mening dat de eenzijdige gerichtheid van de door populisten ingezette meningsvrijheid een van de kernwaarden van de democratie aantast: het erkennen van de verdeeldheid in verbondenheid en de bereidheid het onderlinge debat aan te gaan. Ontkend wordt dat de samenleving uit grote aantallen en soorten minderheden bestaat: ‘het volk’ is een grove miskenning van ‘de bevolking’. De kracht van de democratie ligt volgens Lefort in de onbepaaldheid en openheid van de macht, de wet en het weten. Waar deze onbepaaldheid de mens te veel wordt, wordt het populisme kansrijk. Waar de openheid van de democratie verdwijnt in populistische zend-drift, bederft de democratie haar basiswaarden.

5.3 Waarachtigheid

Het populistisch bederf van de waarheid heeft een bijzonder kenmerk: dat van het moraliseren van de waarheidsidee, het vermengen van de kwestie van waarheid en leugen met die van goed en kwaad. Het vraagstuk van waar of niet waar wordt dan niet gekoppeld aan iets feitelijks in strikte zin, maar krijgt de lading van wenselijk of onwenselijk. Dit moraliseren van het waarheidsidee wordt extremer als het gekoppeld wordt aan personen, zoals journalisten en wetenschappers: omdat zij iets als feitelijk presenteren, kan en mag het niet waar zijn, zij zijn de kwaden! Wat wij, populisten daartegenover stellen moet waar zijn omdat wij, de goeden dit presenteren!

Waarheid neemt de dingen zoals ze nu eenmaal zijn, ook als het gebodene niet bevalt of afschrikt. Volgens de auteur verdragen populisten de fundamentele waarde van waarachtigheid niet. Dit is een uitgesproken pijnpunt waarop het populisme in allerlei varianten reageert. Veelal als vlucht, als poging onder de harde kant van de waarheid uit te komen, en in alle gevallen door de idee van maakbaarheid: alsof de waarheid de mens ter beschikking staat. Zelfs schaamteloze leugen wordt niet geschuwd, dus in het voile besef leugenachtig te werk te gaan. (Propaganda is hiervan een voorbeeld; het schaamteloze ervan is dat de ontwerpers en zenders van deze leugens terdege weten dat ze in strijd zijn met realiteit en een manipulatief doel dienen.) Opvallend is dat de bedenkers van de ficties en verhalen er ook zelf onder invloed van raken. De beelden slaan als ware op henzelf terug; narcisten willen immers zichzelf in de eigen beelden herkennen.

5.4 Morele oprechtheid

In het populisme ondergaat de moraal een herwaardering: goed en kwaad worden in een ander perspectief geplaatst, een gemoraliseerd perspectief. En daarin krijgt ‘het volk’ een centrale functie. Dit volk verkeert in nood, wat te maken heeft met het bedreigende van een open en pluriforme wereld. Het goede dus tegen een veelkoppig kwaad. Het morele onderscheid van goed en kwaad wordt omgevormd in een existentieel onderscheid. Het onderscheid van goed en kwaad in denken, wil en handelen, verplaatst zich naar het wie, naar de entiteit waartoe men behoort, naar de volksidentiteit.

Moraal en morele oprechtheid helpen de mens een weg te vinden in het betrekkelijke van zijn bestaan. Het betrekkelijke doet zich gelden als een bestaan vol betrekkingen: in de historiciteit van het bestaan, maar ook in een moreel open gerichtheid op medemensen. Juist in de harde reactie op dit betrekkelijke onthult het populisme iets noodlottigs.

Populisten kunnen niet leven met openheid en betrekkelijkheid. Ze leven verkrampt, in een heden zonder uitzicht, niet naar buiten, niet op iets toekomstigs. Dit leidt tot een depressief bestaan, tot onvermogen om open met de ander om te gaan.