laatste wijziging: 10-06-2020

504 Z&T A-2 H-6 intratemporaliteit

Hoofdstuk 6 : Tijdelijkheid en intratemporaliteit als oorsprong van het vulgaire tijdsbegrip


TO DO : samenvatting



504 §78 De onvolledigheid van 
        bovenstaande temporele
        analyse van het er-zijn 
506 §79 De tijdelijkheid van het er-zijn
        en het bezorgen van tijd

*** Wikipedia:

Tijd in klassieke zin is het verschijnsel dat van een gebeurtenis gezegd kan worden dat deze na of voor een andere gebeurtenis plaatsvindt. Een gebeurtenis vindt plaats op een tijdstip of moment. De tijd wordt wel gezien als een opeenvolging van tijdstippen. Daarnaast kan bepaald worden hoeveel tijd een gebeurtenis na een andere plaatsvindt. Het betreft dan de tijdsduur tussen twee tijdstippen. Met het begrip tijd worden deze volgorde en duur beschreven.

512 §80 De bezorgde tijd
        en de intratemporaliteit

*** Intratemporaliteit is een alledaagse beleving van de tijd die een
oneigenlijke en genivelleerde vorm van de existentiale tijdelijkheid is.

03-06-2020 Is tijd niet iets wat je als “ik” beleeft?
05-06-2020 Zie de man denken over zijn en tijd in zijn hut in de bergen. Tijd en ruimte zit hij te overdenken. Doe ik hetzelfde als ik dit boek nu bestudeer? Ja.
05-06-2020 Martin Heidegger (en ik) hechtte weinig belang aan de biografische achtergrond van denkers, getuige zijn uitspraak “Aristoteles is geboren, werkte en is gestorven. Laten we ons nu op zijn denken toeleggen”.
523 §81 De intratemporaliteit en 
        de genese (ontwikkeling)
        van het vulgaire tijdsbegrip

 

09-06-2020 Noot 16: Heidegger spreekt hier over eerste afdeling deel 2. Is dat dan een Zijn en Tijd deel 2?
532 §82 De existentiaal-ontologische 
        samenhang van tijdelijkheid, 
        er-zijn en wereldtijd in 
        contrast met Hegels opvatting
        tussen tijd en geest
   A Hegels begrip van de tijd
    A Hegels interpretatie van
      de samenhang tussen
      geest en tijd
541 §83 De existentiaal-temporele
        analytica van het er-zijn
        en de fundamenteel-ontologische
        vraag naar de zin van 
        zijn zonder meer