laatste wijziging: 21-02-2020

1 – De democratische ideologie

13 hoofdstuk 1 : De democratische ideologie



Tot ver in de 5de eeuw v C  kenden de Grieken naar wat wij nu basisschool zouden noemen hooguit een voortgezet literair muzikaal onderwijs voor een elite. In de bloeitijd van het democratische Athene kwam hierin verandering. Rond 450 v C  verschenen de zogenaamde “sofisten“, die tegen forse betaling lessen gaven als voorbereiding op een maatschappelijke carrière. Vooral jongens uit de rijke bovenlaag wendde zich tot deze “professoren“, onder meer voor een cursus spreken in het openbaar die hen in staat moet stellen een rol te spelen in de democratische publiek. Plato vocht tegen dit onderwijs, hij vond dat onderwijs een kritische houding moest kweken.



De dialoog Protagoras draait vooral om het begrip deugd.



https://deleesclubvanalles.nl/recensie/platos-oplossing-voor-de-planeet/

De eerste is De democratische ideologie. De opzet heeft in de originele versie een dialoogvorm. Gerard Koolschijn heeft die structuur in deze stukken niet gebruikt, maar de levendige discussie tussen Protagoras, een sofist die zich moet verdedigen tegen Socrates, is moeiteloos voor te stellen. De jonge Hippocrates zou best les willen krijgen van de beroemde ‘professor’, wat zou hij kunnen leren van Protagoras.

“Dat zal ik u zeggen, Socrates. Wanneer hij zich tot mij wendt zal hij precies het onderwijs ontvangen waarvoor hij komt. Dat wil zeggen dat hij zal leren zijn verstand te gebruiken zowel over zijn eigen zaken, hoe hij zijn vermogen het best kan beheren, als over staatszaken, hoe hij zijn talent moet gebruiken om in het openbare leven een actieve rol te kunnen spelen.”

Vervolgens ontstaat er een tweegesprek over de mogelijkheid of je iemand wel kunt opleiden tot een goed staatsburger. Socrates meent dat je dat niet kunt leren of overdragen, dit in tegenstelling tot technische vaardigheden.

Er volgt een lange uiteenzetting van Protagoras, en Socrates lijkt onder indruk, maar heeft nog een klein vraagje: “Is morele kwaliteit hetzelfde als rechtvaardigheid, zelfbeheersing en zuiverheid?”

Dan volgt een zogenaamd typische Socratische discussie die Socrates wint door in te gaan op de zuivere betekenissen van die woorden.

Verderop in de dialoog wordt er gezocht naar goede politici in het oude Athene. Er is er niet één bij die de bevolking beter heeft achtergelaten. Concluderend: welke staatsvorm zou wel goed zijn voor de bevolking?