laatste wijziging: 31-12-2022

Metafysica Taal en waarheid


.

153 – III. TAAL EN WAARHEID

–           x

.

157 – 7 Filosofie, dichtkunst en retorica

–           x

.

159 – 7.1 De filosoof versus de dichter

–           x

.

165 –  7.2 De filosoof versus de sofist

–           x

.

173 –  8 Dialectiek en fenomenologie

–           x

.

182 –  8.1 Hegels dialectiek

.

173 –  8.2 Heideggers hermeneutische fenomenologie

–           x

.

187 –  9 Hermeneutische variaties

–           x

.

190 –  9.1 De hermeneutische wending van Dilthey naar Gadamer

–           x

.

207 –  9.2 Het supplement van Derrida

–           x

.

217 –  9.3 Denken, dichten en getuigen

–           x

 


 


.

Deel III: Taal en waarheid  xxxxx

Om goed grip te krijgen van deel III van het boek moeten we goed de correspondentietheorie van waarheid kennen. De correspondentietheorie van waarheid meent dat een ware uitspraak correspondeert met een stand van zaken in de werkelijkheid. Kijk maar weer eens om je heen. Om je heen neem je verschillende objecten waar. Deze objecten hebben een naam: tafel, stoel, telefoon, boek etc. Als je een ware uitspraak doet over deze objecten, dan correspondeert deze uitspraak met de stand zaken in de werkelijkheid. De zin ‘mijn stoel is zwart’, is waar omdat deze correspondeert met de werkelijkheid: er is een stoel en deze stoel heeft de kleur zwart. De correspondentietheorie van waarheid zal uitgedaagd worden gedurende deel III van het boek, maar het is belangrijk om deze als vertrekpunt te nemen zodat je de andere theorieën daarmee kan vergelijken. Dat de correspondentietheorie van de waarheid wordt uitgedaagd merken we direct doordat deze theorie wordt gerelateerd aan het zijn/schijn probleem. In de correspondentietheorie is het zijnde gewoonweg de stand van zaken die we kunnen waarnemen en waar we ware uitspraken over kunnen doen. Het probleem hiervan is echter dat de taal het medium is waarin het zijnde voor ons verschijnt. We kennen de dingen door middel van taal. Denk aan de opdracht die ik je hierboven gaf. Ik vroeg je eerst om de ‘objecten’ om je heen waar te nemen. De term `objecten’ laat ieder individueel ding gelijk door te wijzen naar hun `objectheid’; ieder individueel ding is een object om je heen en om alleen die eigenschap te benoemen missen we andere karakteristieke die de individuele dingen van elkaar onderscheiden. Bijvoorbeeld als je de individuele dingen een naam geeft. Dan benoem je het eigene van ieder object en verschijnen ze anders. Een tafel die ik louter als object aanduid staat gelijk met een stoel en alle andere dingen die ik waar kan nemen, maar een tafel die ik als tafel aanduid laat zich anders verschijnen doordat het eigene van het tafel-zijn zich aan me toont. Kortom, taal is geen neutraal medium waarin we de werkelijkheid kunnen representeren en aan elkaar kunnen verhalen over wat er is en wat we hebben mee gemaakt of wat er zal komen. Taal staat tussen ons en de dingen zoals ze zijn in en doet de werkelijkheid voor ons op een bepaalde manier schijnen.

Het eerste probleem waar de filosofie in haar begin mee omging was dan ook het probleem van de dichters. De dichters verkochten mythen aan de mensen en de mensen namen deze aan voor waar. Deze mythen gingen over het ontstaan van alles wat er bestaat en het zijn van alle zijnden. Het waren verhalen zoals wij nu nog de verhalen uit de Bijbel kennen. De filosofie probeerde een rationeel en weldoordacht verhaal hiertegenover te zetten. Socrates argumenteerde tegen de dichters dat ze de essentie van het dichten niet kenden en slechts hun eigen gedichten kenden. Kennis stond gelijk aan algemene. universele kennis en zij hadden slechts kennis van hun eigen gedichten. Hierom hadden ze geen kennis. Daarnaast spraken de dichters niet vanuit rationeel inzicht maar vanuit inspiratie en enthousiasme. De taal die ze spraken was niet een taal die, zoals met de correspondentietheorie, een stand van zaken over wilde brengen of een redelijk inzicht wilde delen, maar een taal die het vooral moest hebben van effect. Het effect is het enthousiasme en een bepaald pathos verspreiden onder de toehoorders. De waarheid kwam hier op een tweede plaats te staan, aldus Socrates. De tweede vijand van de filosoof was de sofist. De sofisten wilden wel kennis overbrengen en pretendeerden dit dan ook. De sofisten waren meesters in de retorica. Ook zij misbruikten de taal doordat hun doel niet was om rationeel inzicht te bieden maar de ander te overtuigen van hun standpunt. De filosofie is natuurlijk op zoek naar de waarheid over de werkelijkheid en de sofisten waren bezig met het overtuigen van de andere mensen, waardoor leugens een eigen leven konden krijgen.

Van der Heiden concentreert zich in zijn uitleg van Hegels dialectiek ook op het gesprek en de waarheidsvinding hierin. Hegel lijkt namelijk het probleem van zijn en schijn opgelost te hebben door zijn dialectiek waarin beweringen en overtuigingen in een dynamische relatie komen te staan. Onze overtuiging over een bepaald onderwerp is in eerste instantie een ware overtuiging op zich (an sich). Iemand komt net uit de helikopter stappen nadat hij over Groningen heeft gevlogen en denkt dat het een geordende stad is. Een ander persoon zit een leeswijzer te schrijven in zijn rokerige kamertje over metafysica nadat hij door de stad en allerlei kronkelige straatjes is gelopen in zijn dagelijkse wandeling door Groningen. Op het moment dat de personen elkaar treffen in een café en met elkaar in gesprek gaan of Groningen chaotisch of geordend is, dan komen ze erachter dat hun perspectieven erg verschillen. De standpunten over Groningen worden dan voor zich (fr sich), omdat deze twee personen nu weten dat hun perspectief niet universeel is. Immers verschillen ze van mening. Door het gesprek aan te gaan met een biertje en wat muziek op de achtergrond van The Doors leren ze van elkaar en leren ze over de staat van Groningen. Door van elkaar te leren wint hun perspectief aan universaliteit die ingebed is op concrete ervaringen. Hun beeld van Groningen is beter geworden.

In een vergelijkbare geest zouden we Heideggers begrip van verborgenheid en on-verborgenheid kunnen lezen. Door ons bewust te worden van de schijn die een stand plaatsgebonden perspectief biedt, kunnen we dichterbij het zijn komen in een dialoog. De ander kan dat wat voor ons verborgen is onverborgen maken.

Tot slot bespreekt Van der Heiden nog verschillende posities in de hermeneutiek, ofwel de interpretatieleer. De hermeneutiek begon bij Friedrich Schleiermachter zijn Bijbel exegese en pas later in de negentiende eeuw werd de hermeneutiek breder toegepast door Wilhelm Dilthey. Dilthey meende dat we taaluitingen van andere kunnen verstaan (verstehen) door middel van empathie of inlevingsvermogen. De taaluitingen van mensen komen uit belevenissen in de werkelijkheid (bewustzijnsleven) en kunnen we aan hand van onze eigen belevenissen vatten. Hans-Georg Gadamer voegde het begrip ‘waarheid’ toe aan het hermeneutische vertoog. De waarheid gebeurt op het moment dat taaluitingen van anderen betekenisvol worden voor ons. Taaluitingen worden altijd gedaan vanuit een bepaalde horizon van ervaringen en wanneer de woorden van een ander betekenisvol worden voor ons dan spreekt Gadamer over een versmelting van horizonten. De Franse filosoof Jacques Derrida verdiept de discussie over het begrijpen door zijn concept van supplement. In plaats van nieuwe ervaringen te denken als complement- iets dat uiteindelijk een geheel kennen zal mogelijk maken- noemt Derrida dit een supplement. Nieuwe ervaringen zullen nooit het leerproces tot voltooiing brengen maar ze zijn een supplement tot het kennen. omdat ze het kennen in eerste instantie mogelijk maken, of kunnen veranderen, of ons tot totale verbijstering kunnen dwingen doordat iets radicaal anders is dan we dachten. Dit laatste wordt verbonden aan het concept ’trauma’ dat je niet slechts moet begrijpen in een psychologische dimensie. Bij een traumatische ervaring blijkt de werkelijkheid zo fundamenteel anders te zijn dat alle ervaringen aantast. Je moet nieuwe begrippen gebruiken om duidelijk te maken wat het is. De waarheid en de taal zijn duidelijk vervlochten in een bijzondere knoop.