laatste wijziging: 31-01-2023

Metafysica Zijn en schijn

Bladzijde 83 tot en met 152


. . .
Het is fundamenteel voor het begrijpen van dit hoofdstuk

.

83 – II. ZIJN EN SCHIJN

Dat is een extra dimensie . . .
De implicatie hiervan is dat het zijnde niet alleen is, maar nog een extra dimensie heeft. Het zijnde is en het zijnde verschijnt. In het volgende beeld wordt het zijnde is en het zijnde verschijnt geïllustreerd. Assen bestaat, ik ben daar nu deze woorden aan het typen en later op de dag ga ik van de faculteit naar huis lopen om te eten. Als iemand ronddwaalt door Assen verschijnt Assen zich aan die persoon door de straten die diegene beloopt. Vandaag verschijnt Assen zich voor mij door de straten die ik moet lopen om van mijn huis naar de faculteit filosofie te gaan en omgekeerd. Maar voor iemand anders die, bijvoorbeeld, met een helikopter over Assen heen vliegt verschijnt Assen op een geheel andere manier. Hetzelfde zijnde, Assen, kan zich op meerdere manieren tonen voor verschillende subjecten/mensen. Van dit tonen kan een mens getuigen: de helikopterpassagier vertelt aan het einde van de dag een ander verhaal over Assen dan ik.

De waarheid over een zijnde kan dus zowel goed als slecht nagemaakt/naverteld worden.


.

87 – 4 Poësis en mimesis

Poëtica = (In het Grieks poësis) heeft als grondbetekenis: de visie en werkwijze van een kunstenaar.

.

87 4.1 Drie soorten bedden

Plato geloofde in een ideeënwereld waar alle alle ideeën in hun perfectie bestaan. Neem het idee van een bed. Een timmerman kan een bed gaan maken, maar het wordt nooit zo goed als het perfecte idee van het bed. Het blijft altijd een mindere kopie. Als een kunstenaar vervolgens het bed schildert, maakt hij volgens Plato een kopie van de kopie van de timmerman van het perfecte idee. Nog verder weg van het originele idee dus.

.

91 4.2 De goddelijke demiurg


Excurs: de dwalende oorzaak
Timaeus 48a - 53a

[48a] De geest ging voor en bracht de wet ertoe om zelf ook zoveel mogelijk schepselen tot volmaaktheid te brengen. Zo gebeurde het dat het universum in het begin tot stand kwam door een onontkoombare wet die gewillig luisterde naar verstandige overreding. Maar als we werkelijk willen spreken over de wijze waarop dit universum tot bestaan kwam, moeten we er ook het verschijnsel van de wisselende behoefte bij betrekken en ons afvragen hoe die in wezen oprijst

[48b] Laten we dus teruggaan en een nieuw en voor dit onderwerp passend uitgangspunt nemen, zoals we dat voor het andere ook deden en op precies dezelfde wijze van voren af aan beginnen. We moeten daarom vuurwateraarde en lucht onderzoeken op hun oorspronkelijke kwaliteit, voordat de hemel ontstond. Want tot op heden weet niemand hoe dat alles ontstaan is, al doen we dan ook alsof we weten wat vuur enzovoort is, al spreken we rustig over ‘elementen’ en maken we ze tot bouwstenen van het heelal.

[48c] Toch is bij nader inzien met deze vergelijking niet alles gezegd over de samenstelling van het heelal. Laten we het eens anders bekijken. Laten we nu niet alles wat er is principieel overwegen en er onze eigen mening over geven, want de gekozen benaderingswijze is al moeilijk genoeg. Dat moet je ook niet van mij verwachten, want bij een opgave van zo’n omvang voel ik me niet zeker.

[48d] Daarom blijf ik bij wat aan het begin gezegd is over de kracht van een aannemelijk verhaal en daardoor zal mijn benadering niet minder maar zelfs meer aannemelijk worden zowel ten aanzien van het individuele als ten aanzien van het universele vanaf het allereerste begin.

[48e]En laten we nu eerst de Schepper aanroepen, opdat hij ons behouden door dit vreemde en ongewone verhaal voert tot de meest waarschijnlijke voorstelling van zaken en laten we nu weer opnieuw beginnen. Ons nieuwe uitgangspunt bij het heelal moet genuanceerder zijn dan daarvoor. Tot dusver hebben we twee factoren onderscheiden, maar nu moeten we een derde invoeren. Die twee waren voldoende voor wat we hiervoor bespraken:

[49a] Ten eerste stelden we als grondmodel, dat bewustzijn altijd zichzelf is, ten tweede een kopie van dat model, dus wat tot bestaan komt en ervaren wordt. Een derde factor hebben we toen niet onderscheiden, omdat we aan twee genoeg dachten te hebben. Maar nu dwingt het betoog ons ertoe een moeilijke en vage kracht in woorden om te zetten. Welke natuurlijke functie zou deze kracht hebben?

[49b] In de eerste plaats toch die van de moederschoot van al het worden; als voedster ervan. Hoewel dit waar is, vraagt het wel om een nadere uitleg. Dat is moeilijk, omdat het noodzakelijk is in te gaan op de onzekere identiteit van vuur en de vormen die daarvan zijn afgeleid. Want het is moeilijk om steeds opnieuw te moeten uitleggen waarom we iets ‘water’ noemen in plaats van ‘vuur’, en dat we steeds bepaalde namen moeten gebruiken in plaats van willekeurige, omdat ons taalgebruik betrouwbaar en consequent moet worden.

[49c] Hoe is het dan wel en hoe kunnen we er duidelijk over spreken, terwijl we toch niet alles weten? We kunnen zien dat wat we eerst water hebben genoemd, hard wordt als aarde en ook als steen, wanneer het vaste vorm aanneemt; en wanneer het ijs smelt en daarna verdampt, zien we het waterdamp en lucht worden en bij verbranding wordt lucht vuur. Op zijn beurt neemt vuur de vorm van lucht aan wanneer het zich verdicht en dooft. De lucht trekt samen en condenseert tot wolken en mist en hieruit ontstaat bij verdere verdichting stromend water; en uit water opnieuw aarde en steen; zo komen deze elementen in een cirkelgang kennelijk uit elkaar voort.

[49d] Als geen enkel element zich ooit in dezelfde gedaante vertoont, van welk element kan men dan, zonder zich belachelijk te maken, volhouden dat het speciaal dit is en geen ander? Dat kan niet. Wil je over elementen praten, dan is de volgende methode verreweg de veiligste. Van dingen die we steeds weer in een andere vorm zien overgaan, vuur bijvoorbeeld, zeggen we niet: dit is vuur, maar: het heeft de kwaliteit van vuur.

[49e]En bij water ook niet: dit is water, maar altijd: het heeft de kwaliteit van water. Nergens moeten we trouwens een permanente vorm aan toekennen; we moeten niet denken in vastomlijnde begrippen, wanneer we woorden bezigen als ‘dit’ en ‘dat’. Want alles ontglipt ons en niets is te vangen met het woord ‘dit’ of ‘dat’ en met geen enkel ander woord waarmee het etiket van duurzaamheid en onveranderlijkheid wordt opgeplakt.

We moeten deze woorden dus niet gebruiken voor elementen, maar het hebben over kwaliteiten die in de kringloop worden doorgegeven en altijd gelijk blijven ten opzichte van elk element afzonderlijk en van alle samen. Dus vuur is wat door alle vormveranderingen heen de kwaliteit van vuur houdt, en dat geldt voor alles wat tot bestaan komt.

[50a] Maar datgene waarin de dingen na hun ontstaan stuk voor stuk zichtbaar worden en waaruit ze weer verdwijnen, alleen dat mogen we met de woorden ‘dit’ en ‘dat’ aangeven. Maar voor kwaliteiten als ‘warm’ of ‘wit’ of het omgekeerde en voor alles wat daaruit voortkomt, moeten we deze woorden niet gebruiken. Laten we dit nog eens wat duidelijker formuleren. Stelt u zich voor dat iemand steeds weer nieuwe figuren maakt uit goud en dat iemand anders er een aanwijst en vraagt: wat is het eigenlijk?

[50b] Verreweg het eerlijkste antwoord zou dan zijn: goud. Je kunt van een triangel en andere vormen die uit goud gemaakt worden, nooit zeggen dat het is wat in feite alweer verandert, terwijl het benoemd wordt. Je mag al blij zijn als vormen in een bepaalde staat ongeveer overeenkomen met het woord dat je ervoor gebruikt. Dezelfde redenering geldt ook voor de natuur, die alle lichamen in zich herbergt.

[50c] Zij moet altijd met dezelfde term worden aangeduid, want zij treedt nooit buiten haar eigen gebied. Want al neemt zij altijd alles in zich op, nooit zal zij op enige manier ooit ergens een vorm aannemen van wat zich ook maar in haar manifesteert. Zij ligt daar immers gereed voor alles wat tot bestaan wil komen, in beweging gebracht en gevormd en daarom lijkt zij telkens anders door al wat binnenkomt. De vormen die er in- en uitgaan, zijn altijd beelden van het eeuwig werkelijke, op moeilijk te verklaren en wonderlijke wijze gevormd naar dat voorbeeld. Daar komen wij later nog op terug

[50d] Hoe dan ook, op dit moment moeten wij begrip krijgen voor drie aspecten van het ontstaan: wat ontstaat, waarin en waaruit het ontstaat, en waar het zijn gelijkenis aan dankt. Wij kunnen het ontvangende goed vergelijken met de moeder, de oorsprong met de vader en wat daaruit ontstaat met het kind.

Verder is het goed te bedenken dat dingen zich willen manifesteren in allerlei soorten en vormen en daarom is de substantie waarin het ontstaansproces zich voltrekt, alleen dan goed toegerust, [50e]wanneer zij zelf vrij blijft van al de vormen die zij van elders ontvangt. Als zij zich namelijk gelijk zou maken aan een van de binnenkomende indrukken, dan zou zij het daaraan tegengestelde of zelfs daarvan totaal afwijkende slecht kunnen weergeven, omdat het een inbreuk zou zijn op haar eigen vorm. Daarom moet dat wat alle soorten in zichzelf opneemt, buiten alle vormen staan. Het is net als met parfums. Eerst worden zorgvuldig vloeistoffen gefabriceerd die zo weinig mogelijk geur van zichzelf hebben en die nemen dan de geurstoffen op.

[51a] Wie een afdruk probeert te maken in zacht materiaal, zorgt ervoor dat daar geen eerdere afdruk in is achtergebleven en hij begint nadat hij het oppervlak zo glad mogelijk heeft gemaakt. Wil de substantie de indrukken van het eeuwig bestaande volledig en zuiver ontvangen, dan zal zij onafhankelijk moeten zijn van al het tijdelijk bestaande. Laten wij daarom het moederlijke en ontvankelijke voor alles wat zichtbaar geschapen is en zintuiglijk waarneembaar, niet aanduiden met het woord aarde, lucht, vuur, water of met samenstellingen en afleidingen daarvan; wij doen de waarheid immers geen geweld aan, wanneer wij het ontvankelijke benoemen als onzichtbaar, vormloos, alles omvattend, of als iets dat op een hoogst merkwaardige en moeilijk te begrijpen manier deel uitmaakt van het scheppingsplan.

[51b ]Indien met het voorafgaande de ware aard van de natuur duidelijk wordt gemaakt, laat deze zich nu waarschijnlijk als volgt omschrijven: wanneer een deel van de natuur vurig wordt, ziet het eruit als vuur, wordt het nat, dan ziet het eruit als water, en zo wordt het aarde en lucht voor zover het daarvan indrukken ontvangt. Laten wij ons inzicht hierin scherpen door nauwkeurige en logische definitie.

[51c] Bestaat vuur apart en ook al die andere dingen waar wij altijd zo over praten: bestaan die allemaal apart? Of bestaan alleen de dingen die we zien of anderszins fysiek waarnemen? Zijn die alleen werkelijk, en bestaat er daarbuiten helemaal niets, nergens? Zeggen we maar wat, telkens als we beweren dat er voor alles een kenbare vorm bestaat, en zijn dat alleen maar woorden?

Nu lijkt het mij niet correct deze kwestie onbesproken en onbeslist terzijde te leggen door [51d] het te laten bij vaststellingen zonder meer, maar evenmin lijkt het mij gepast, als aan ons toch al lange verhaal nog verder moet worden gebreid. Was er maar een definitie waarin de kern van de zaak met weinig woorden wordt omschreven, wat zou dat prettig zijn. Zelf heb ik een voorkeur. Als kennis en juiste mening voor ons twee verschillende dingen zijn, dan moeten er ook vormen bestaan die in de geest kunnen worden waargenomen, maar zonder de zintuigen. Maar is er geen verschil tussen kennis en juiste mening – en dat wordt ook wel gedacht – dan moeten wij vaststellen dat alleen het fysiek waarneembare betrouwbaar is.

[51e] Laat onze conclusie dus luiden dat het verschillende dingen zijn; zij zijn verschillend van oorsprong en gedragen zich niet identiek. Kennis wordt ontwikkeld en mening wordt aangeleerd. De eerste gaat altijd gepaard met inzicht in waarheid, de ander kan zonder. Kennis kan niet worden aangepraat, maar mening wel. Alle mensen hebben meningen, dat staat vast, maar alleen de goden en een enkel mens heeft werkelijk deel aan kennis.

[52a] Als dit zo is, dan zijn we het er dus over eens dat er allereerst een op zichzelf staande essentie is, zonder begin, zonder einde, onafhankelijk, die dus niets van elders in zichzelf opneemt en evenmin ergens anders in opgaat; onzichtbaar is zij, ook niet op andere manier waarneembaar; zij kan alleen door de wetende geest worden beschouwd. Dan is er vervolgens een vorm die er in naam en substantie op lijkt, maar die wel waarneembaar is, sterfelijk, altijd in beweging, die hier ontstaat en daar weer ten onder gaat

[52b] en die thuis hoort in de categorie van op ervaring gebaseerde mening. En als derde niveau is er de ruimte, onaantastbaar, en bakermat van alles wat tot bestaan komt. Ruimte als zodanig kan alleen worden benaderd met een soort abstracte redenering, concrete ervaring komt er niet aan te pas, dus wat moet men ermee. Van ruimte kunnen we ons alleen droomvoorstellingen maken, want we vinden nu eenmaal dat alles een plek moet hebben, een plaats moet innemen en we vinden dat dingen die zich niet op de aarde of in de hemel bevinden, niet kunnen bestaan.

  • 97
[52c] Over al deze en aanverwante dingen en ook over de wakende en waarachtige oer-substantie kunnen wij dus alleen maar dromen en wij zijn daardoor niet in staat wakker te worden en alles te doorzien en de waarheid omtrent deze dingen vast te stellen. Een droomvoorstelling dekt immers zelfs niet het gegeven waarvoor ze is bedoeld; ze doolt steeds rond als de schim van iets anders. Een droom of verbeelding klampt zich op alle mogelijke manieren vast aan het bestaan om daarmee haar ware aard, namelijk dat zij niets is en geen substantie heeft, te verdoezelen. En zo komt het dan ook dat zij steeds weer in een haar vreemde substantie tot leven moet worden gewekt.

Maar voor de werkelijkheid zelf biedt de [52d] Zuivere Rede uitkomst: zij vertelt ons dat van twee verschillende dingen het ene nooit in het andere kan ontstaan, omdat beide niet tegelijkertijd hetzelfde en verschillend kunnen zijn. In hoofdlijnen zit het volgens mij dus als volgt: lang voor het heelal ontstond, bestonden [52e] Zijn, Ruimte en Worden los van elkaar. De voedster van het ontstaan wordt vochtig en vurig, neemt aarde en lucht in zich op, begint van alles gewaar te worden en maakt dat zichtbaar. Maar omdat zij van stoffen van ongelijke en onevenwichtige kracht vervuld wordt en zij ook zelf niet evenwichtig is, begint zij onregelmatige schokbewegingen te maken, waardoor ook die stoffen weer bewogen worden. En door die beweging vliegen ze voortdurend alle kanten op en worden gescheiden, zoals bij het zeven of op andere wijze sorteren van graan de stevige en zware korrels op een andere plaats terecht komen dan de poreuze lichte.

 

[53a]

 

.

97 4.3 Het raadsel van het niet-zijnde

Eigenlijk is Plato in deze dialoog zoek naar een mogelijkheid om over foute beweringen te kunnen denken op een coherente manier. Merkwaardig genoeg besteedt hij veel meer tijd

De twee lijkt hij met elkaar in verband te willen brengen: het is niet mogelijk om iets goed te begrijpen zonder inzicht in het zijn en niet-zijn.

. . .
Het is fundamenteel voor het begrijpen van dit hoofdstuk

Parmenides :

      • Parmenides fixeert zijn metafysisch weten (dat bij Heraclitus en Xenophanes met geen woorden uit te drukken was) in klare uitspraken; hij vat het samen in een zin: ‘Het Zijnde is‘, of korter nog: ‘Het is‘, of ook negatief: ‘Het niet-Zijnde is niet‘.
      • Alle drie deze formules spreken een en dezelfde grondgedachte uit: het Zijnde is.
      • Daarin vervat hij het weten van het Al tezamen; buiten het Zijnde is er niets; het Zijnde is het Absolute.
      • Zuiver formeel, schematisch: A = A, lost Parmenides het grootste wereldraadsel op!
      • De logica is bij hem voor het eerst de grondslag van alle menselijk weten en begrijpen geworden!
      • Het Zijnde is: uit deze kardinale stelling leidt Parmenides al het overige, zijn ganse wereldverklaring af.
      • Zo is het ‘worden‘ bij deze wijsgeer tot een pure onmogelijkheid gedegradeerd; ‘worden‘ bestaat niet, want het stelt, als overgang van het niet-zijnde naar het zijn, het niet-zijn vooropen, wij vernamen reeds: het niet-zijnde is niet.
      • Evenzo is het ‘vergaan’, als overgang van zijn naar niet-zijn uitgesloten, want het Zijnde is: onveranderlijk en eeuwig.

Dialoog De sofist :

[…] hetgeen de mensen, wanneer ze in grote getale bijeenzijn, over een bepaald onderwerp denken, of liever: vagelijk en onbewust menen. Want de retoriek is het meest vermogend in de dingen ‘waarin we dwalend zijn’.

Wanneer iemand het woord ‘ijzer’ of ‘zilver’ uitspreekt, denken alle mensen hetzelfde, maar bij de woorden ‘goed’ en ‘rechtvaardig’ is het tegendeel het geval: we weten immers niet precies wat het goede is en daarom is ons denken dienaangaande ‘zwevend’ of dwalend. De retoriek leeft bij de gratie van dit dwalende denken.  Hieruit blijkt nogmaals hoezeer ons particuliere thema met de grote thema’s van Plato’s filosofie verbonden is. Het ‘dwalen’ wordt immers door Plato gezegd van de ziel, die zich van het lichaam bedient om iets te onderzoeken en die zich aldus tot het zintuiglijke en vele wendt: ‘dan wordt ze door het lichaam getrokken naar hetgeen nooit op dezelfde wijze is, ze dwaalt en raakt verward en duizelt alsof ze dronken was’.

Het ‘dwalen’ is steeds met het vele te verbinden; ‘dwalen’ impliceert immers over een ruimtelijke veelheid verspreid zijn. De ‘dwalende oorzaak’, waarvan in de Timaios sprake is, verwijst dan ook naar het ruimtelijke en lichamelijke. Het definiëren, dat een voorwaarde is voor het ware gesprek [minstens in deze zin dat men goed moet weten waarover men het heeft], is daartegenover met het éne en identieke te verbinden: het is op zoek naar de éne eidos, die alleen door de ziel kan worden bereikt. In een dergelijk onderzoek ‘houdt de ziel op met dwalen’, ‘vlucht’ ze het lichaam dat een ruimtelijke veelheid is, en raakt zij ‘verzameld tot zichzelf en dus tot eenheid.



.

105 –  Omkeringen van zijn en schijn

De moderne metafysica die Van der Heiden liet beginnen bij Kant loopt tegen andere problemen op in de kwestie van zijn en schijn. Om deze kwestie goed uit te leggen bespreken we Kant zijn problematiek over de werkelijkheid van waarnemen. Zoals we ons kunnen herinneren beweert Kant dat we alleen de dingen kunnen waarnemen die zich door ons kenvermogen kunnen laten verschijnen. Kant stelde dat we een onderscheid moeten maken tussen de “noumenalewerkelijkheid van dingen zoals ze op zichzelf bestaan, het Ding an sich, en anderzijds de verschijningen of fenomenen of het Ding für mich (phainomena). Dit impliceert dat de werkelijkheid die je waarneemt begrensd is door ons kenapparaat. Echter is ons denken niet begrensd volgens Kant. In ons denken zijn we vrij en die vrijheid geeft ons ook de mogelijkheid om autonoom te handelen in de wereld. Deze noumenale dimensie gaat het debat over de metafysica leiden.

 

Als de orde die wij in de natuur kennen, het product is (de creatie) van het denkende subject,

is dan het domein van de noumena (het Ding an sich)

op zichzelf niet getekend door een onherleidbare chaos?

 

.

109 5.1 Nietzsche over waarheid en illusie

Nietzsche meent dat de mens zich bezighoudt met metafysica om twee psychologische redenen. Ten eerste, de mens fabriceert ficties om te ontsnappen aan de werkelijkheid waarin hij lijdt. Het lijden staat centraal in onze confrontatie met de werkelijkheid omdat wat we doen eigenlijk zinloos is. Het is de productie van verhalen die zingeven aan ons bestaan. Het zijn nuttige ficties die ons beschermen tegen de harde waarheid van het zinloze lijden dat we doen in ons korte bestaan. Ten tweede, wij mensen projecteren een redelijke orde op de chaotische werkelijkheid om ons heen. Deze redelijke orde is er in wezen helemaal niet. Wij doen alsof deze redelijke orde er is en gaan deze dan zoeken aan de hand van de wetenschap. Dit impliceert dat kennis over de logische orde in de werkelijkheid eigenlijk niet gericht is op de orde die in de werkelijkheid bestaat, omdat die simpelweg door ons voorondersteld is (denk aan Plato’s definitie van metafysica). Kennis is volgens Nietzsche uiteindelijk niets anders dan een sociaal proces waar we veinzen. Het vergaren en bezitten van kennis is doen alsof je kennis hebt om op die manier jezelf positief te onderscheiden van anderen. Metafysica is dan praktijk waar filosofen doen alsof er een diepzinnige waarheid schuilt in de wereld om ons heen, die er in werkelijkheid helemaal niet is.

Daarnaast meent Nietzsche dat het fysische, de werkelijkheid die zich opent voor onze zintuigen gestuurd wordt door een wil tot macht. Alles wat er is wordt gestuurd door een principe van zelfbehoud dat overal aanwezig is. Hierdoor is wat we waarnemen in zekere zin slechts schijn omdat achter de waarneming zich het principe van macht verschuilt wat de ware reden is van wat we zien. Dus de zintuiglijke werkelijkheid geeft ons een schijn van het daadwerkelijke zijn, oftewel de wil tot macht.

Nietzsche inspireerde de Franse filosoof Deleuze met zijn filosofie.

5.1.1 Nietzsche : Plato's dualisme

Het argument werd aangevoerd door Aristoteles ( metafysica 990b17–1079a13, 1039a2;) die, in plaats van het voorbeeld van “grootheid” te gebruiken, het voorbeeld gebruikte van een man (vandaar de naam van het argument) om dit bezwaar tegen deze theorie aan te duiden.

Aristoteles stelt dat als een mens een mens is omdat hij deelneemt aan de vorm van de mens, er een derde vorm nodig is om uit te leggen hoe de mens en de vorm van de mens beide mens zijn, enzovoort, tot in het oneindige .

116 ... het idee dat er naast de bladeren in de natuur ook het blad bestaat ...

Dit wekt het idee dat er naast de bladeren in de natuur ook het “blad” bestaat: het oorspronkelijke model volgens welke alle bladeren misschien waren geweven, geschetst, gemeten, gekleurd, gekruld en geschilderd – maar door incompetente handen, zodat geen enkel exemplaar een correcte, betrouwbare, en getrouwe gelijkenis van het originele model. We noemen iemand ‘eerlijk’ en dan vragen we ‘waarom is hij vandaag zo eerlijk geweest?’ Ons gebruikelijke antwoord is: “vanwege zijn eerlijkheid.” Eerlijkheid! Dit betekent op zijn beurt  dat het blad de oorzaak is van de bladeren. We weten helemaal niets over een essentiële eigenschap genaamd  “eerlijkheid”; maar we kennen talloze geïndividualiseerde en bijgevolg ongelijke acties die we gelijkstellen door de aspecten weg te laten waarin ze ongelijk zijn en die we nu aanduiden als ‘eerlijke’ handelingen. Ten slotte formuleren we daaruit een eigenschap occulta die de naam ‘eerlijkheid’ draagt. Wij verkrijgen de concept, zoals we de vorm doen, door over het hoofd te zien wat individueel en actueel is; terwijl de natuur bekend is  zonder vormen en zonder concepten, en evenzo zonder soorten, maar alleen met een X die voor ons ontoegankelijk en ondefinieerbaar blijft. Want zelfs ons contrast tussen individu en soort is iets antropomorfisch en vindt zijn oorsprong niet in de essentie van de dingen; hoewel we niet mogen beweren dat dit contrast niet overeenkomt met de essentie van de dingen: dat zou natuurlijk een dogmatische aanname zijn en als zodanig net zo on-aantoonbaar zijn als het tegendeel ervan.

5.1.2 Nietzsche : Metafysica als menselijke praktijk


109 In een of andere uithoek ...
Over waarheid en leugens in niet-morele zin (1873) door Friedrich Nietzsche

109
Er was eens, in een of andere uithoek van dat universum dat verspreid is over ontelbare fonkelende zonnestelsels, een ster waarop slimme beesten kennis uitvonden. Dat was de meest arrogante en leugenachtige minuut van de ‘wereldgeschiedenis’, maar toch was het maar een minuut. Nadat de natuur een paar keer adem had gehaald, koelde en stolde de ster en moesten de slimme beesten sterven. Men zou zo’n fabel kunnen verzinnen, en toch zou hij niet voldoende hebben geïllustreerd hoe ellendig, hoe schimmig en vergankelijk, hoe doelloos en willekeurig het menselijk intellect in de natuur lijkt. Er waren eeuwigheden waarin het niet bestond. En als het allemaal voorbij is met het menselijk intellect, is er niets gebeurd. Want dit intellect heeft geen extra missie die het voorbij het menselijk leven zou leiden. Integendeel, het is een mens, en alleen zijn bezitter en verwekker vat het zo plechtig op – alsof de as van de wereld er om draait. Maar als we met de mug konden communiceren, zouden we leren dat hij ook met dezelfde plechtigheid door de lucht vliegt, dat hij het vliegende middelpunt van het universum in zichzelf voelt. Er is niets zo laakbaars en onbelangrijks in de natuur dat het niet onmiddellijk zou opzwellen als een ballon bij het geringste trekje van dit weten. En net zoals elke drager een bewonderaar wil hebben, zo veronderstelt zelfs de meest trotse man, de filosoof, dat hij aan alle kanten de ogen van het universum ziet, telescopisch gericht op zijn handelen en denken.

109 als we met de mug konden communiceren ...

Het is eerder zo  dat de mens, en alleen zijn bezitter en verwekker neemt het zo plechtig op , de spil is waar de wereld om draait. Maar als we met de mug konden communiceren, zouden we leren dat hij ook door de lucht vliegt met dezelfde plechtigheid, dat hij het vliegende middelpunt van het universum in zichzelf voelt. Niets in de natuur is zo laakbaar en onbelangrijk dat het niet meteen zou opzwellen als een ballon met de geringste trek van deze kenniskracht. En zoals elke drager een bewonderaar wil hebben, zo ook de meest trotse mens, de filosoof, veronderstelt dat hij van alle kanten de ogen van het universum ziet die teles17 copisch gericht zijn op zijn handelen en denken.

Het is opmerkelijk dat dit door het intellect tot stand is gebracht, dat zeker aan deze meesten was toebedeeld
ongelukkige, delicate en kortstondige wezens, alleen als middel om ze een minuut in het bestaan vast te houden. Want zonder deze toevoeging zouden ze alle reden hebben om dit bestaan net zo snel te ontvluchten als de zoon van Less21ing. De trots verbonden met weten en voelen ligt als een verblindende mist over de ogen en zintuigen
van de mensen, waardoor ze worden misleid over de waarde van het bestaan. Want deze trots bevat in zichzelf de
meest vleiende schatting van de waarde van weten. Bedrog is het meest algemene effect van zulke trots,
maar zelfs de meest bijzondere effecten ervan bevatten iets van hetzelfde bedrieglijke karakter.

Als een middel om het individu te behouden, ontvouwt het intellect zijn principiële vermogens in huichelarij, wat het middel is waarmee zwakkere, minder robuuste individuen zichzelf in stand houden – aangezien ze
de kans ontzegd om de strijd om het bestaan te voeren met hoorns of met de scherpe tanden van beesten van
prooi. Deze kunst van het veinzen bereikt zijn hoogtepunt in de mens. Bedrog, vleien, liegen, bedriegen, praten achter de rug, een vals front opzetten, in geleende pracht leven, een masker dragen, zich verschuilen achter conventie, een rol spelen voor anderen en voor zichzelf – kortom, een voortdurend rondfladderen de eenzame vlam van ijdelheid – is zozeer de regel en de wet onder de mensen dat er bijna niets minder is begrijpelijker dan hoe er onder hen een eerlijke en pure drang naar waarheid kon ontstaan. Zij zijn diep ondergedompeld in illusies en in droombeelden; hun ogen glijden slechts over de oppervlakte van dingen en zie “formulieren”. Hun zintuigen leiden nergens naar de waarheid; integendeel, ze zijn tevreden met het ontvangen van prikkels en als het ware een tastend spel op de ruggen der dingen spelen.

109 ... staat de mens het zichzelf toe te worden bedrogen in zijn dromen ...

Bovendien staat de mens het zichzelf toe te worden bedrogen in zijn dromen elke nacht van zijn leven. Zijn morele sentiment doet daar niet eens een poging toe voorkomen, terwijl er mannen zouden zijn die uit pure wilskracht zijn gestopt met snurken. Wat weet de mens eigenlijk over zichzelf? Is hij inderdaad ooit in staat zichzelf volledig waar te nemen, alsof het in een verlichte vitrine ligt? Verbergt de natuur niet de meeste dingen voor hem – zelfs zorgwekkend zijn eigen lichaam – om hem op te sluiten en op te sluiten in een trots, bedrieglijk bewustzijn, afzijdig van de windingen van de darmen, de snelle stroom van de bloedstroom en het ingewikkelde trillen van de vezels! Ze gooide de sleutel weg. En wee die fatale nieuwsgierigheid die op een dag misschien de macht heeft om naar buiten te turen en naar beneden door een spleet in de bewustzijnskamer en dan vermoeden dat de mens erin zit de onverschilligheid van zijn onwetendheid door dat wat meedogenloos, hebzuchtig, onverzadigbaar en moorddadig is – alsof het in dromen op de rug van een tijger hangt. Gezien deze situatie, waar ter wereld zou de drang naar waarheid kunnen bestaan vandaan?

Voorzover het individu zich tegenover andere individuen wil handhaven, zal hij onder natuurlijke omstandigheden het intellect voornamelijk gebruiken voor huichelarij. Maar tegelijkertijd wil de mens uit verveling en noodzaak sociaal en met de kudde bestaan; daarom moet hij vrede sluiten en streeft hij ernaar dienovereenkomstig om in ieder geval de meest flagrante bel uit zijn wereld te verbannen

5.1.3 Nietzsche : Kennen, willen en maken
5.1.4 Veelheid, interpretatie en perspectief

Perspectivisme is de filosofische visie dat de werkelijkheid als zodanig niet kan worden gekend omdat alles vanuit een bepaald perspectief wordt bekeken. Het woord ‘perspectief’ komt van het Latijnse perspicere: ergens doorheen kijken, iets duidelijk zien of iets doorgronden. In de tegenwoordige filosofie heeft het woord echter een geheel andere connotatie.

Het begrip verwijst, vooral door de invloed van Friedrich Nietzsche, naar het vrijwel volstrekte onvermogen van de mens terug te gaan tot de laatste gronden. Het enige wat voor de mens verschijnt is een veelheid van over elkaar heen vallende en met elkaar in strijd zijnde perspectieven. Nietzsche breekt met de illusie van de ‘ware werkelijkheid’ en benadrukt dat we de werkelijkheid uitsluitend fragmentarisch kunnen ervaren.

Het begrip is door Leibniz in de filosofie geïntroduceerd.

Het perspectivisme leidt tot de vraag of ware kennis van de werkelijkheid überhaupt mogelijk is. Is het mogelijk de werkelijkheid te zien zoals ze is? Met name in de hermeneutiek houdt men zich met deze vraag bezig.

.

126 5.2 Deleuze over identiteit en verschil

Nietzsche en Deleuze keren het platonisme om op twee manieren.

  • Deleuze richt zich tevens op het zijnde door vragen te stellen hoe het zijnde is in relatie tot iets anders. Nietzsche heeft het over de schijn van de waarneming en het zijn van de wil tot macht.
  • Deleuze richt zich eerder op het     verschil  tussen twee zijnde.
  • Volgens Deleuze kan een zijnde pas hetgeen zijn dat het is doordat het van andere zijnde verschilt.
  • Het verschil is de mogelijkheidsvoorwaarde voor het zijn van de zijnde.
  • Neem bijvoorbeeld een poster en een muur. Een poster is geen muur en een muur is geen poster. Het niet-zijn van een muur en een heleboel andere objecten maakt een poster tot een poster en dit geldt net zo voor een muur. Dit niet-zijn interpreteert Deleuze als een anders-zijn en dit anders-zijn is de mogelijkheidsvoorwaarde voor het zijn van de zijnden.
  • In andere woorden, het niet-zijn van een object schijnt waar te zijn terwijl het eigenlijk zo is dat het anders-zijn het zijn van een object mogelijk maakt. Een poster is een poster omdat het anders is dan een muur en niet omdat het de muur niet is.


135 Nietzsche heeft altijd kunstenaars geïnspireerd ...

Nietzsche heeft altijd kunstenaars geïnspireerd: musici, schilders, dichters, schrijvers en dansers. Dat heeft ongetwijfeld hiermee te maken, dat Nietzsche zelf een kunstenaar is (dichter, schrijver, musicus), dat hij beeldender en poëtischer schrijft dan de meeste andere filosofen, dat hij zoekt naar vormen van moraal, wetenschap en geloof die zelf scheppend zijn, en dat hij in zijn eigen filosoferen reikt naar een ander soort expressie en communicatie dan die door discursieve taal: “Ze had moeten zingen, deze ‘nieuwe ziel’ – en niet praten!”

Tegelijk blijft Nietzsche zich voortdurend bewust van het verschil tussen filosofie en kunst: filosofie zoekt onvermijdelijk naar ‘waarheid’, terwijl kunst even noodzakelijk illusies schept. Dat de kunst daarmee in feite werkelijkheid schept en de filosofie zich doorgaans in illusies verstrikt, maakt de verhouding tussen beide extra spannend.

.

137 6 Het bijeenhoren van zijn en schijn

.

139 6.1 ‘Het zijn weest als verschijnen’

Deze Inleiding stelt de fundamentele thema’s van Heideggers denken aan de orde, zoals de overstijging van de traditionele metafysica, het zijns-historisch denken van de ommekeer en de verhouding van zijn en denken. Ze is een weergave van Heideggers zoektocht door de geschiedenis van het westerse denken naar een antwoord op de aan alles voorafgaande vraag naar het zijn.

.

144 6.2 Plato’s leer van de waarheid


 

.

Deel II: Zijn en schijn 83 – 152 xxxxxxxxxxxx

 

Nietzsche

 

Deleuze