Aristoteles


Aristoteles 384 v Chr – 322 v Chr (62 jaar) was een Griekse filosoof en wetenschapper die met Socrates en Plato wordt beschouwd als een van de invloedrijkste klassieke filosofen in de westerse traditie. Hij was lid van Plato’s filosofische Academie en diens invloed is dan ook aanwezig in Aristoteles’ werk, hoewel Aristoteles een duidelijk van Plato afwijkende filosofische stroming vertegenwoordigt.

Aristoteles en Plato worden vaak met elkaar vergeleken omdat beiden aan het begin staan van de meest invloedrijke westerse filosofische opvattingen. Hij voerde de logica en de methodologie in als manier om wetenschap en filosofie te bedrijven.

Hij bestudeerde alle toenmaals bekende wetenschappen (filosofie, psychologie, politieke en sociale wetenschappen, wiskunde en natuurwetenschappen, taal‐ en letterkunde, theater…), die hij systematisch en methodisch tot een in zichzelf gesloten systeem uitwerkte. Vermoedelijk is slechts ongeveer 1/5 van het totale werk bewaard gebleven en bij ons bekend. Veel van zijn werken zijn door de Arabische geleerde Averroes vertaald.

Aristoteles hanteerde een analytische, inductieve manier van denken: het destilleren van een algemeen geldende waarheid uit het doen en laten van het individu en de waarneembare werkelijkheid. Daarvan uitgaande bestudeerde hij ook een groot aantal zaken in onder andere bewegingen (wordingen) in de natuur en de biologie, en kwam onder de indruk van de ordening en doelmatigheid daarin. Dit bracht hem tot de uitspraak “De natuur doet niets vergeefs.” In zijn visie bestaat de wereld uit de vier elementen aarde, water, lucht en vuur, omgeven door de ether, het z.g. ‘vijfde lichaam’, en daarbuiten sfeerlagen, waarvan de buitenste die van de vaste sterren  zou zijn. De uiterste sfeer is in zijn visie God, de Onbewogen Beweger.
Zijn ethische opvattingen zijn uitgewerkt in de Ethica Nicomachea. Veertien van zijn werken zijn gebundeld in zijn Metafysica, gericht op onderzoekingen van het ‘zijn’, ofwel de ontologie. Volgens hem bestaat de Platonische ‘idee’ slechts in de afzonderlijke dingen, en niet als buitenwereldse werkelijkheid, zoals Plato dat zag. Volgens Aristoteles ligt het geluk in het inzicht in de praktische rede, dat wil zeggen: inzicht in de werkelijkheid van alledag. Dit in tegenstelling tot Plato, die het hoogste inzicht toekent aan de contemplatie van de ideeën.