INR schommeling

bovenste grens = 3.0 
onderste grens = 2.0
  • INR tussen de streefgrenzen:
    • in principe kunt U dezelfde dosering en de maximale tijd van 3 weken tot de volgende controle aanhouden. Wanneer de uitslag 2 of 3 maal net op of tegen een grens aanligt dan kunt u de dosering 1 stapnummer verhogen of verlagen.
  • INR tot 0.5 onder de onderste grens:
    • verhoog de dosering met 1 stapnummer en controleer na 2 weken. Is de uitslag 2 of 3 maal in deze mate te laag, verhoog dan met 2 stapnummers per keer, start met de hoogste dosis en controleer na 2 weken tot u weer de
      streefwaarde bereikt heeft.
  • INR 0.6 tot 1.0 onder de onderste grens:
      • verhoog met 2 stapnummers en start met de hoogste dosis, controleer na 2 weken opnieuw. Is de uitslag opnieuw te laag, verhoog dan met 2 stapnummers en controleer na 1-2 weken tot u weer de streefwaarden bereikt heeft.

  • INR 1.1 tot 1.5 onder de onderste grens:
    • neem de dag van controle een dubbele gemiddelde dagdosis. Controleer na 1 week opnieuw de INR. Handel verder als bij voorgaande instructies.
  • INR meer dan 1.1 boven de bovenste grens en onder INR 6.1:
    • INR tot en met 5.0: verlaag de dosering met 2 stappen en controleer na 2 weken
      opnieuw.
    • INR 5.1 tot 6.0: neem de dag van controle geen tabletten, verlaag de dosering met 2
      stappen en controleer na 1-2 weken opnieuw, handel verder als bij voorgaande
      instructies.
  • Elke INR onder de 1.8 en boven de 6.0: Geef dit door aan de trombosedienst, bij voorkeur via Portavita.  Indien overleg met de trombosedienst niet mogelijk is en de INR is boven de 6.1: geen tabletten innemen op de dag van de meting en ook de dag erna niet. Is de INR onder de 1.8, neem dan 1½ x de gemiddelde dagdosis in op de dag van de meting.
  • INR tot 0.5 boven de bovenste grens: verlaag de
  • dosering met 1 stapnummer en controleer na 2 weken. Is de uitslag 2 of 3 maal in deze mate te hoog, verlaag dan met 2
    stapnummers per keer en controleer na 2 weken tot u weer de streefwaarden bereikt.
  • INR 0.6 tot 1.0 boven de bovenste grens: verlaag de dosis met 2 stapnummers en controleer na een week opnieuw. Als de uitslag opnieuw te hoog is verlaag dan weer met 2 stapnummers per keer, start met de lage dosis en controleer 1-2 weken tot u weer de streefwaarden bereikt heeft.

Als u twijfelt of een dosisaanpassing nodig is, zet u dan enkele dagen tot een week de oude
dosering voort en doe dan een extra controle.

  • Een verhoging van de dosis is meestal pas na 2-3 dagen zichtbaar. Het weglaten of sterk
    verlagen van de dagdosis is bij acenocoumarol de volgende dag al zichtbaar.
  • Maak de dosisaanpassing niet te groot. Dit leidt makkelijk tot instabiliteit. Een kleine
    afwijking vraagt om een kleine aanpassing. Grotere aanpassingen kunnen er toe leiden dat
    u de volgende keer aan de andere zijde van de streefgrenzen komt.
  • Wij adviseren u een doseerperiode van 2 – 3 weken aan te houden, omdat er aan de ene
    kant geen reden is vaker te controleren, maar aan de andere kant voldoende gemeten moet
    worden om de vaardigheid te behouden.
  • Als er een hoge INR is door tijdelijke ziekte of gebruik van andere medicijnen, verlaag dan
    met een halve dagdosis gedurende 1-3 dagen en voer na deze periode een meting uit.
  • Neem de acenocoumarol dagelijks op hetzelfde tijdstip in.
  • Bepaal de INR bij voorkeur s’ochtends op dezelfde dag van de week.
  • Neem voldoende antistollingsmedicatie mee op vakantie. Niet in alle landen zijn coumarines beschikbaar.
  • U heeft snel blauwe plekken, langdurige neusbloedingen (langer dan een half uur) of ander abnormaal bloedverlies: bepaal de INR.
  • U bent ziek met hoge koorts en/of braken en diarree: bepaal de INR en overleg met de
    trombosedienst over een eventuele aanpassing van de dosering.