Plato

Deze website wordt de komende jaren volledig herbouwd


terug naar de hoofdpagina


BRONNEN:

 


Plato was een leerling van Socrates en de stichter van de Academie, de eerste instelling voor hoger onderwijs die we kennen – geen enkele andere filosoof in de geschiedenis van de filosofie heeft een grotere of diepgaandere invloed gehad dan Plato.

Alfred North Whitehead zei ooit dat de westerse filosofie 

het beste kan worden gekarakteriseerd als een serie voetnoten bij Plato.

Hij schreef een aantal dialogen over zeer diverse onderwerpen en werd met zijn ideeënleer de aartsvader van het filosofisch idealisme. Het blijft de vraag in hoeverre wij kunnen zeggen dat we Plato’s eigen opvattingen kennen, aangezien hij nergens uit eigen naam spreekt, vaak vragen opwerpt zonder deze te beantwoorden en niet altijd consistent is.
Het werk van Plato is voor een belangrijk deel gebaseerd op zijn ideeën over de ideale vormen. De wereld van ervaringen is een illusie, zegt Plato, want alleen dat wat onveranderlijk en eeuwig is, is werkelijk. (een idee dat hij aan Parmenides ontleende) Er moet daarom een domein van eeuwige, onveranderlijke vormen bestaan die de blauwdruk zijn voor de efemere fenomenen die we waarnemen via zintuiglijke ervaring. Volgens Plato zijn er weliswaar vele individuele paarden, katten en honden, maar ze zijn allemaal gemaakt naar het beeld van de universele vorm van het “paard”, “de kat”, “de tafel”, enzovoort. Op dezelfde manier zijn er veel afzonderlijke mensen, maar allemaal zijn ze gemaakt naar het beeld van de universele “vorm van de mens.”

Dit idee vinden we in het latere christelijke denken terug, waarin de mens naar het evenbeeld van God is geschapen, en dat is slechts een van de vele manieren waarop Plato een directe invloed had op de christelijke theologie. Plato’s theorie van vormen bleef echter niet beperkt tot materiële objecten. Hij meende dat er ook ideale vormen van universele of abstracte concepten als schoonheid, rechtvaardigheid, waarheid en van wiskundige concepten als getal en klasse bestonden.

De invloed van Plato is tegenwoordig nog duidelijk voelbaar in de wiskunde, zowel Frege als Gödel onderschreven Plato in dit opzicht.

De theorie van vormen ligt ook ten grondslag aan het meest polemische en bekendste werk van Plato, De Staat[1] (ook wel vertaald als “de Republiek”)(Oudgrieks: Πολιτεία Politeia) In een zoektocht naar de aard en waarde van rechtvaardigheid biedt Plato een visioen van een utopische samenleving, geleid door een elite van bestuurders die vanaf hun geboorte opgeleid zijn voor de taak van het regeren. De rest van de samenleving is verdeeld in soldaten en het gewone volk.

In de republiek is de ideale burger iemand die weet hoe hij zijn talenten moet gebruiken voor het nut van de hele samenleving en die zich niet aflatend wijdt aan die taak. Er is weinig aandacht voor persoonlijke vrijheid of individuele rechten in de republiek van Plato, want alles wordt strikt geleid door de bestuurders die zich wijden aan het goede voor de staat als geheel.

Dat heeft ertoe geleid dat sommigen, waaronder Bertrand Russell, Plato ervan beschuldigden een elitair en totalitair regime voor te staan, vermomd onder communistische of socialistische principes. Of Russell en anderen met deze kritiek gelijk hebben of niet is zelf weer onderwerp van discussie. Maar het is belangrijk om te begrijpen waarom Plato de samenleving op die manier wil organiseren. De republiek is een poging om in overeenstemming met zijn theorie van vormen de ideale vorm van een samenleving te vinden.

Plato meent dat er een ideale manier van het inrichten van een samenleving bestaat en dat alle bestaande samenlevingen daar imperfecte kopieën van zijn, want die richten zich niet op het goede voor allen. Een dergelijke samenleving zou volgens Plato sterker zijn dan haar buren en niet te veroveren zijn door haar vijanden, een idee dat de Griekse geest sterk bezighield gezien de frequente oorlogen tussen Athene, Sparta en de andere Griekse stadstaten. Maar belangrijker nog, een dergelijke samenleving zou rechtvaardig zijn tegenover alle burgers, want ieder geeft zijn deel, neemt waar hij recht op heeft en werkt voor het welzijn van allen. Of de republiek van Plato ideaal of zelfs maar haalbaar is, heeft de geleerden sindsdien constant verdeeld.

De denkbeelden van Plato en zijn begrippen zijn in te delen in drie perioden:

  • De vroege periode:
    • In de vroege periode zijn de onderwerpen meestal van ethische aard. Voorbeelden zijn de Laches (wat is moed?), de Lysis (wat is vriendschap?), de Eutyphro (wat is vroomheid/religieuze plichtsbetrachting?), de Charmides (wat is bezonnenheid?), en de vraag naar het begrip ‘rechtvaardigheid‘ in het eerste boek van de Staat (Politeia).
    • Plato’s filosofie moet begrepen worden vanuit een ethisch gezichtspunt. Door de zoektocht naar werkelijke kennis over ethische zaken kwam hij uit bij de kennistheorie en de wijsgerige antropologie, en via zijn ideeënleer ook bij de kosmologie en natuurfilosofie.
  • De middenperiode:
    • De werken uit deze periode zijn het bekendst. In deze periode worden de metafysische opvattingen van Plato uitgewerkt. Zijn overtuiging dat er vaste ethische waarden bestaan. Dit wordt uitgewerkt in de Ideeënleer,  de aanname dat er Ideeën (of ‘Vormen’[7]) bestaan. Dit zijn onzichtbare, tijdloze, perfecte voorbeelden, waarvan de verwerkelijking in de wereld om ons heen slechts zwakke imitaties zijn. In concreto: wij vinden dat een bepaalde handeling rechtvaardiger is dan een andere. Waarom? Omdat de ene handeling meer de Idee ‘Rechtvaardigheid’ benadert dan de andere. Deze ethische Ideeën zijn dus absolute standaarden, geldig voor alle mensen.
    • Over de oorsprong van concepten of ideeën is veel geschreven. Grofweg zijn er twee standpunten; het rationalisme, dat ervan uitgaat dat de ideeën uit de rede voortkomen en het empirisme, dat stelt dat alle kennis uiteindelijk uit de (zintuiglijke) ervaring stamt. Een voorbeeld van een vertegenwoordiger van het eerste standpunt is Plato, van het tweede standpunt Aristoteles.
    • In deze periode komt ook de staatsleer van Plato tot stand.
  • De late periode
    • Plato’s werk uit deze periode is minder verheven, idealistisch, en tegelijk ook minder ‘literair’ en meer ‘strikt filosofisch’.
    • In de Theaetetus wordt de vraag behandeld: Wat is kennis?,  de kennistheorie . zonder dat de anamnese of de Ideeënleer bij de beantwoording betrokken worden. Is kennis hetzelfde als waarneming? Of is kennis hetzelfde als waarneming in combinatie met een soort verantwoording?
    • In de Sofist wordt hiermee getracht te komen tot een definitie van de Sofist. Maar een belangrijker onderwerp in deze dialoog is de problematiek van het ‘niet-zijnde’: als een sofist niet de waarheid vertelt, wat zegt hij dan? Hij zegt datgene wat niet (het geval) is. Met de conclusie dat dit mogelijk is neemt Plato afstand van de toen invloedrijke opvatting van Parmenides dat men niet kan denken wat niet is.
    • In de Staatsman wordt met behulp van de methode van onderverdelingen getracht te komen tot de definitie van de politicus. Deze dialoog bevat algemene methodologische beschouwingen, maar handelt deels ook over ‘politiek’ (staatsvormen), een onderwerp dat Plato in zijn grootste en laatste werk, de Wetten, uitgebreid behandelt. Ook hier lijkt een verdere tendens van minder ‘idealisme’ ten gunste van ‘realisme’, waar te nemen.

Verder is de methode van de dialectiek kenmerkend voor zijn werken, als een soort voorloper van de logica.