laatste wijziging: 30-03-2020

092 Z&T A-1 H-3 Wereldlijkheid

92 – Hoofdstuk 3 De wereldlijkheid van de wereld


TO DO : samenvatting


92 §14 De idee van de wereldlijkheid  
       van de wereld
  • De eerste stap is daarbij een opsomming van wat er zoal “in” de wereld voorkomt: huizen, bomen, mensen, bergen, hemellichamen. We kunnen het uiterlijk van dit zijnde beschrijven en vertellen wat ermee gebeurt. maar het is duidelijk dat dit een voor-fenomenologische “bezigheid “blijft, die fenomenologisch hoegenaamd niet relevant kan zijn. De beschrijving blijft aan het zijnde verbonden. Zij is ontisch ( zoals het zich aan de mens voordoet)
  • Wat we zoeken is echter het zijn
  • /// JST “Fenomeen” in fenomenologische zin hebben we formeel bepaald als dat wat zich als zijn en zijns-structuur toont

 


96 A DE ANALYSE VAN DE WERELDLIJKHEID VAN 
     DE OMRINGENDE WERELD EN WERELDLIJKHEID 
     ALS ZODANIG

96 §15 Het zijn van het in de 
       omringende wereld tegemoet
       tredende zijnde

 


103 §16 De wereldlijkheid van de omringende
        wereld zoals die zich meldt aan het
        binnenwereldlijk zijnde

108 §17 Verwijzing en teken

116 §18 Beloop en beduidendheid; 
        de wereldlijkheid van de wereld

 

 

 


123 B  ONZE ANALYSE VAN DE WERELDLIJKHEID
       IN CONTRAST MET DE INTERPRETATIE
       VAN DE WERELD BIJ DESCARTES


124 §19 De bepaling van de "wereld" 
        als res extensa

127 §20 De fundamenten van de ontologische
        bepaling van de "wereld"
110-2-2020 Substantie is dan een ding, een perfect door god geschapen ding

130 §21 De hermeneutische discussie over
        de cartesiaanse ontologie 
        van de "wereld"

138 C HET OMRINGENDE VAN DE 
      OMRINGENDE WERELD EN DE 
      RUIMTELIJKHEID V H ER-ZIJN


139 §22 De ruimtelijkheid van het 
        binnenwereldlijk terhandene
142 §23 De ruimtelijkheid van het 
        in-de-wereld-zijn

 

 

149 §24 De ruimtelijkheid van het
        er-zijn en de ruimte